Toes & Vos (8)
Toes & Vos

Felicita Vos en Jac. Toes zullen elkaar twaalf zaterdagen lang bestoken met alles wat hun opvalt, wat hen prikkelt, razend maakt, tot tranen beweegt of anderszins beroert in Arnhem en de rest van het heelal. Om en om geeft de een de voorzet, waarna de ander de bal ofwel in het open doel knalt, ofwel de opgelegde kans magistraal verprutst. Maar altijd met stijl en onaangetaste slagkracht.
Zorg
Ah Felice,
Vanaf mijn dertigste lukt het me meestal vrij goed om kwaad te worden. Soms té goed, vindt mijn omgeving, maar dan antwoord ik: ‘Het gif kan beter naar buiten dan binnen slaan.’
Het leidt overigens zelden tot een vuistgevecht. Daartoe heb ik me maar twee keer laten verleiden, eenmaal op mijn vijftiende en eenmaal op mijn vijfenvijftigste. Die tussenpoos van veertig jaar is genoeg, vind ik, om niet beticht te worden van gewelddadigheid.
Ik had ooit een therapeut die me aanraadde mijn woede te koesteren. Ze beschouwde die innerlijke beroering als m’n levensader, de bron van de energie die me in staat stelde te overleven. Mijn eerste uitgeefster spoorde me zelfs aan om uit woede te schrijven. Dat zou krachtig, onontkoombaar proza opleveren, dacht ze. Maar daarin zoek ik nog een evenwicht. Ik weet dat je uit woede prachtboeken kunt schrijven (Multatuli’s Max Havelaar, Mulisch’s Bericht aan de rattenkoning enz.) maar voor stilistische doeltreffendheid is een blik-op-afstand nodig en de rust die daarvoor nodig is, verdraagt zich niet de opwinding van de woede.
Het waren trouwens altijd concrete personen of situaties die me kwaad maakten: een collega die je een oor aannaait, een lompe eikel in de trein of onbetrouwbare familieleden. Maar nu word ik geconfronteerd met situaties die me bloedlink maken en er is niets of niemand waartegen ik kan schoppen. Het gaat over mijn vader die op de rand van het leven staat, of beter gezegd, zweeft.
Een paar maanden geleden werd hij delirant, wat een aardig woord voor psychotisch is. Er lag geen drankgebruik aan ten grondslag, het was de reactie van een lichaam dat nog maar heel weinig weerstand heeft. Een ontsteking is genoeg om mensen van die leeftijd in een werveling van waandenkbeelden en hallucinaties te storten. Aldus geschiedde bij mijn vader die tot dan toe alleen woonde maar zich plotseling op de geriatrie van een Alkmaars ziekenhuis zag opgenomen. Die opname lukte overigens pas nadat hij twee maal was weggestuurd; niet ziek genoeg, vond de ene specialist. Wel ziek genoeg, vond de ander en dan ligt het er maar net aan wie der dienst doet.
Ondertussen voerde mijn vader gesprekken met mijn moeder die naast hem zat maar helaas al vier jaar dood is. Daarna volgde een (te) vroegtijdig ontslag – van die eerste specialist dus – en vervolgens begon hij aan een odyssee door Noord-Holland om ergens in een opvanghuis terecht te komen. Na eindeloos overleg met werknemers bij een zogeheten zorgkantoor, met artsen van een indicatiekantoor en transferverpleegkundigen verhuisde hij naar een verzorgingstehuis, veertig kilometer verderop. Daar staken de delieren nog een paar keer de kop op met als gevolg dat hij tussen ziekenhuis en opvang pendelde. Maar zodra hij die opvangplek per ambulance verliet, werd hij een uur later uitgeschreven en stonden zijn spullen buiten de kamer. Had hij de pech dat die ene specialist hem dezelfde dag toch weer als patiënt afwees, dan begon het hele verhaal opnieuw: heel Noord-Holland afbellen voor een nieuwe opvang want hij bleef wel zorgbehoevend.
Weer de (telefonische) gang naar het zorgkantoor, indicatiekantoor, facilitaire managers, de oude en de nieuwe huisarts (elke opvang heeft een eigen huisarts bij wie je verplicht terecht komt). Maar was hij een paar dagen later weer (even) terug in het ziekenhuis, dan werd hij geconfronteerd met de ‘eerste verantwoordelijk verpleegkundigen’ die van niks wisten. Het zinnetje: ‘Eigenlijk ben ik niet zo bekend met uw vader.’ werd een running gag.
Natuurlijk zitten er een heleboel aardige behulpzame mensen tussen, die tegen allerlei problemen vechten, variërend van personeelstekort tot geldgebrek. Dat is het probleem niet, de persoonlijke betrokkenheid is vaak groot. Het is die amorfe smurrie van regels en bureaucratie en die honderden piepkleine koninkrijkjes in het land van de zorg dat zo versnipperd is dat niemand verantwoordelijk kan worden gesteld voor het maandenlange gezeul met een oude man die zelf de weg kwijt is.
Daarom kan ik ook op niemand kwaad worden, ja, soms gaat er een te ver zoals de zorgjuf die weigerde de naam van (weer) een nieuwe huisarts te vertellen en me verwees naar een teamleider, die ‘daarover nog wel zou terugbellen’. Maar verder geldt: niemand doet iets fout, terwijl er wél heel wat fout gaat. Ik zou degene kunnen opzoeken die dit krankjoreme zorgsysteem heeft bedacht maar waarschijnlijk kwam dat uit de ongrijpbare pen van een collectief aan ambtelijke beleidsmanagers. Je kunt alleen in zijn algemeenheid constateren dat het zorgsysteem faalt en er je eigen plan in trachten te trekken. Knarsetandende groet, Jac.
Lieve Jac.,
Wat een droevig bericht! Uit eigen ervaring weet ik hoe zwaar afscheid nemen is. Mijn vader was, amper vijftig, plotseling overgeleverd aan hetzelfde systeem dat jouw vader en daarmee jullie nu genadeloos raakt. Mijn vader werd getroffen door een zeer agressieve vorm van kanker die hem zowel lichamelijk als geestelijk razendsnel verwoestte. Het gevoel van machteloosheid dat je nu in zijn greep heeft, is mij niet vreemd. Hoewel mijn vader -en wij dus ook- alweer bijna een kwart eeuw geleden in het medische web verstrikt raakten, blijkt er in al die jaren niet zoveel veranderd te zijn.
Mijn vader is destijds niet in een zorginstelling geplaatst. Het zou niet alleen tegen alle culturele regels en tradities ingaan, maar los daarvan wilden wij het niet. Gezien zijn ziekte en het verloop daarvan, dat toch enige risico’s voor ons met zich mee kon brengen, drongen zowel de huisarts als medisch specialisten erop aan hem in Regina Pacis te laten opnemen. Wij hebben voet bij stuk gehouden en daar ben ik blij om, zeker als ik lees hoe er met jouw vader gesold wordt.
De ziekenhuisopnames waren al dramatisch genoeg. De laatste keer dat hij opgenomen werd was vanwege een infectie in zijn buik waardoor hij niet kon plassen. Er moest van buitenaf een slang in zijn buik aangebracht worden. Tijdens zijn verblijf werd hij aan zijn lot overgelaten. Er was toch niets meer aan te doen, althans zo voelde de achteloze manier waarop met mijn vader werd omgesprongen. Of zouden destijds bezuinigingen en onderbezetting ook debet geweest zijn aan de wijze van verplegen of het ontbreken van juiste zorg? Het is twee keer voorgekomen dat we hem ’ s ochtends rond 11.00 uur doordrenkt van urine –hij was werkelijk tot aan zijn hals toe nat- in zijn bed aantroffen. Naast zijn bed, op het verrijdbare kastje, stonden een ontbijtbord met daarop twee sneetjes brood met glazige kaas die aan de randen omgekruld was en een kop inktzwarte en koude thee. Beide onaangeroerd, want mijn vader kon zelf niet meer eten en drinken.
Ach, dit was nog het minst erge, de daadwerkelijk schokkende feiten zal ik je besparen. Mensonterend was het, dat kun je van mij aannemen. We lieten hem geen seconde meer uit het oog. Mijn moeder waste hem, wij voerden hem, haalden hem uit bed, reden hem in zijn rolstoel door het ziekenhuis en hielden de verpleging nauwgezet in de gaten. Alleen slapen deden we thuis. Zodra hij naar huis kwam om te sterven begon het circus dat al eerder in gang gezet was, weer opnieuw. Er moest van alles en nog wat geregeld worden en het had heel wat voeten in aarde voor thuiszorg en andere zaken geregeld waren. Afstemming bleek ook toen al een zeer ingewikkelde, haast onuitvoerbare klus te zijn. Alsof je hen vroeg de relativiteitstheorie van Albert Einstein volledig te begrijpen, te doorgronden en ter plekke in hapklare brokken te presenteren. Het was en is dus nog steeds een onzichtbare kliederboel die je tot razernij brengt, maar waar je geen bal mee kunt. Het creëert een gevoel van machteloosheid dat je gevangen houdt in een onzichtbare dwangbuis.
Ik ben geen pessimist Jac., dat weet je. Maar vanochtend in het park realiseerde ik me weer eens dat dit ons voorland is. Hoewel, misschien komen wij niet eens zover. Wie weet komt de PVV met het briljante idee op de proppen om alle inwoners van Nederland voor die tijd te chippen. In die chip worden dan -uiteraard geheel volgens hun gedachtegoed- zowel je etniciteit als je medisch dossier opgeslagen al dan niet aangevuld met informatie op basis van genetica. Zodra wij dan het ziekenhuis inwandelen, moeten we door een poort. Je weet wel zo’n poort die je op luchthavens ziet, maar dan aangepast aan de situatie. Je etnische en medische gegevens worden tijdens het passeren ervan ingelezen. Achter de poort wordt je door een vriendelijk glimlachende dame of heer opgewacht die je vervolgens met een simpel handgebaar naar links of rechts zal sturen.
Ach Jac., je vader wens ik een sereen en menswaardig heengaan. Jou, je familie en dierbaren wens ik alle sterkte van de wereld toe!
Felice
Foto: Tom Roelofs
kees crone op zondag 5 september 2010 om 10:08 uur
Ik deed ook zo mijn ervaring op met de Thuiszorg in het Arnhemse. Moraal: zorg dat je niet hulpbehoevend of dementerend wordt. Een dwaas advies natuurlijk.
Lees hoe het afliep: http://www.kunstencultuurkaart.nl/arnhem/columns/kees-crone/620-zeisman.html