Beschonken Willem en de Döner Kebab-zaak
Geert Rozema (Buurtpastor)

Nog even een boodschap in de lokale Klarendalse supermarkt en dan snel naar huis. Het is veel te laat geworden. Wanneer ik de supermarkt uitloop hoor ik rumoer. Aan de overkant staat een groepje mensen te kijken naar iets of iemand in het Döner-zaakje. Een felle stem klinkt die ik uit duizenden herken. Het is weer zover. Willem is op dronkenmans toer.
Ik zie hem staan. Driftig gebarend met zijn handen richting de broodjesverkoper. Er gaat dreiging van hem uit. Ik hoor hem schelden. Aan één arm hangt een wit plastic tasje – vermoedelijk met een broodje kebab en blikken halve liters bier. Al heen en weer waggelend maakt hij veel misbaar. “Racisten. Uitknijpers en dieven. Met zijn allen tegen één. Durven ze wel. Klootzakken. Smerige Turken. Poesjes, mietjes.” Hij zal ze krijgen. Een arme oude man beroven van zijn laatste centen. Willem blijft maar schelden en tieren tegen de mensen in de winkel.
Dreigende sfeer
De eigenaar en zijn personeel bewegen rond Willem. Voorzichtig maar zichtbaar ongemakkelijk proberen ze hem naar buiten te manoeuvreren. Ze ogen nog opmerkelijk kalm. Alsof ze ervaren met hem zijn. Willem verzet zich en begint nog luider te schreeuwen en vloeken. De groep mensen – toeschouwers - die het schouwspel gadeslaat groeit. Steeds meer mensen komen rond de Dönerzaak staan. De sfeer wordt grimmiger. Willem dreigt buiten zinnen te raken van woede en frustratie.
Ik wil mijn broodjes
“Ha die Willem”! roep ik luid en duidelijk en omhels Willem en schudt hem de hand. “Hee pastoor”, reageert Willem eveneens met luide stem. “Die Turken hier, besodemieteren de boel. Ze flessen me. Ik wil mijn broodjes. Ik heb er voor betaald.” “Hoest met je Willem?” Al vragend nodig ik hem uit naar buiten door hem liefdevol doch resoluut voor me uit te duwen.Willem verzet zich. “Mijn broodjes. En mijn geld.” “Dat komt zo”, maar eerst moeten we naar buiten. Andere mensen willen ook eten bestellen. En bovendien kan ik je hier niet goed verstaan.”
Nog een keer wendt Willem zich met omhoog geheven armen naar de jongen achter de kassa. Het is een neef van de eigenaar. We kennen elkaar. Geruststellend glimlach ik naar hem, de eigenaar en de rest van de omstanders. Ondertussen duw ik Willem’s armen vriendelijk doch resoluut naar beneden en grijp hem bij zijn schouders en duw hem voort. Zachtjes fluisterend tegen hem. De omstanders maken ruimte voor ons. Stapje voor stapje gaan we richting uitgang. De tranen van woede, onmacht, verdriet, dronkenschap springen Willem in de ogen. Hij spreekt met dubbele tong en is warrig. “Mijn broodjes en portemonnee. De moordenaars.” We staan buiten. Mijn hele gewicht heb ik nodig om hem buiten de winkel te houden – waar het ‘gewone’ leven door nieuwe bezoekers weer op gang lijkt te komen. De eigenaar en zijn neef blijven waakzaam om ons heen staan.
Half uur over 700 meter
Stapje voor stapje bewegen we weg van de winkel richting zijn huis. Ruim een half uur doen we over een paar honderd meter. Soms zetten we een paar stappen vooruit en dan weer eentje terug. Eindelijk begint de voor Willem aanstootgevende winkel uit het zicht te geraken. En komt hij een klein beetje tot bedaren. Hij begint nu dronkenman liedjes te zingen die hij blijft herhalen. Na een klein uur zijn we bij zijn huis. Ik breng hem tot aan zijn kamer en zet de inmiddels steenkoude broodjes Döner voor hem neer op een bordje. “Waar is mijn bier?” vraagt hij vol argwaan. Ik wijs hem op zijn voorraad. En op zijn portemonnee die al die tijd in zijn borstzak steekt. Gerustgesteld zakt hij weer neer in zijn stoel en trekt tevreden mompelend een nieuwe halve liter open. Het biertje dat hij mij aanbiedt sla ik beleefd af.
Foto: Bas Boerman